Meet & Greet Adrie Boxmeer

Adrie Boxmeer is als journalist en eindredacteur van diverse bladen de hele dag bezig met taal, zeker sinds hij het leven deelt met een docente Nederlands (C. van Wijk – red. Litereet).

Adrie Boxmeer
Fotografie Bert Janssen

De brood

‘Ik ga even de brood op de schappen leggen.’

Ik geef toe, mijn oren klapperden wel toen ik een jonge AH-medewerker dit ooit tegen een collega hoorde zeggen.

De brood?

Ik herinner me dat de AH-medewerker van allochtone afkomst was. Daarmee zeg ik nadrukkelijk niet dat allochtonen weinig weten van de Nederlandse taal. Want hij was neem ik aan in Nederland geboren. Maar wel met ouders voor wie de moedertaal waarschijnlijk geen Nederlands was.

Wat ik wel beweer is dat voor iedereen die thuis geen Nederlands spreekt, maar Arabisch, Spaans, Pools of Engels, want die taal kent alleen maar ‘the’ als bepaald lidwoord, de ‘de/het-regel’ niet of nauwelijks te doorgronden is.

Is er eigenlijk wel een regel? Ik heb enkele jaren aan buitenlandse expats Nederlandse les gegeven. Het waren scheepsbouwkundige ingenieurs: hoog opgeleid, in staat om snel nieuwe kennis zich eigen te maken. Maar ‘de’ en ‘het’ leverden steevast grote problemen op.

Een paar ezelbruggetjes zijn er wel: alle meervoudsvormen van de zelfstandig naamwoorden krijgen ‘de’, alle verkleinwoorden ‘het’. Voor de rest geldt: in zo’n 70 procent van de gevallen is het ‘de’. Ik raadde mijn cursisten dan ook aan om als ze het echt niet wisten maar ‘de’ te gebruiken. Gerede kans dat ze goed gokten.

Taal is een levend ding dat voortdurend door invloeden van buitenaf verandert. Vanuit andere talen en culturen kent het Nederlands een grote hoeveelheid leenwoorden. Deze ontwikkeling zet zich uiteraard voort. Daarom durf ik de stelling aan dat over, pakweg, honderd jaar het verschil tussen ‘de’- en ‘het’-woorden is verdwenen en dat alleen ‘de’- woorden zijn overgebleven.

Is dat erg? Zoals gezegd: taal is een levend ding. Dus als er iets verandert wat is dan de, pardon, het probleem?