B – Beneveld

Er was eens een mistige dag en een hond, genaamd Bolus.

In een mist van twijfels en vragen had Olga haar kleine waanzinsvlagen. Het was rottig, mottig weer. Ze ging maar een wandeling maken met Bolus.  Volgens het KNMI is nevel de beperking van het zicht in horizontale richting door waterdruppeltjes. Het zicht  moet echter beter zijn dan één kilometer, anders noemen ze dat mist bij het KNMI. Olga’s gedachten stroomden gestaag mee met de grijze wolken boven het zilte nat. Olga wandelde graag met haar hondje Bolus langs de kust. 

Nooit eerder was Olga zich er zo bewust van, hoe de golven rollen, hoe symmetrisch asymmetrisch en hoe voorspelbaar onvoorspelbaar tegelijkertijd alles in de natuur werkt. In haar leven waren zo veel zaken zo ontzettend anders gerold en gestroomd dan zij van te voren had kunnen verzinnen. Olga klom via de lange houten trap het duin op, Bolus trippelde ver voor haar naar boven. Ze vervolgden hun wandeling achter de duinen, in het waterwingebied.

Tot haar verbazing zag ze, dat een groep bouwvakkers druk bezig was met hun shovels, ver tot in het duingebied. Olga trainde hier zo’n drie keer per week haar duurloopjes. Er was een grote stellage geplaatst, met allerlei borden er tegen getimmerd. Ze las de namen van aannemersbedrijven en projectontwikkelaars. De gemeente liet de grond – voorheen waterwingebied – bouwrijp maken. Nu mocht Bolus dus wél officieel los rondlopen in deze buurt, dacht Olga triomfantelijk. Ze hadden er gewoonlijk toch al schijt aan gehad, dus het maakte hen niets uit.  Olga gooide een tak ver weg en Bolus nam een sprint om het ding weer op te halen voor haar.  Bolus vond het zeer vermakelijk en kon er geen genoeg van krijgen. 

De lucht was vochtig, de lucht was grijs, het zicht niet ver. In sommige Zeeuwse dialecten wordt die weersomstandigheid ook wel ‘diezig’ genoemd. Ik voel me diezig, dacht Olga. Ze worstelde met een groot en zwaar gevoel, een soort gemis. Bolus blafte vrolijk en legde de stok opnieuw voor haar voeten. Hij kwispelde. Olga had geen zin meer. Ze liepen verder.

Bolus was een grappig dier, een zogeheten vuilnisbakkenras – een kruising tussen een Duitse herder en iets onduidelijks. Honden zijn trouw en vrolijk. Ooit las Olga ergens over vriendschap, dat je zelf een vriend moest zijn als je er naar een verlangt. Ze leerde over de liefde, dat je zelf een geliefde moet zijn als je er een mist. Ook helpt het, dat je jezelf lief hebt zoals je je naaste lief hebt. Ze leerde ook, dat Liefde eigenlijk niet helemaal kan worden begrepen door tekortkomingen van het menselijke brein, ons sterfelijke lichaam en onze verlangende ziel. Olga leerde, dat ze eigenlijk heel weinig écht wist. 

Nevels zijn diffuse objecten aan de sterrenhemel. Olga zwoegde door het zand op de duinpaadjes, met haar handen diep in de zakken van haar dunne zomerjas. Galactische nevels, in de spiraalarmen van ons Melkwegstelsel, daar dacht Olga aan. Ze voelde zich diezig. Mottig. Beneveld.

Olga zag hoe verderop de shovels werden geparkeerd. Iemand spande rood met wit lint rond de afgegraven grond. Een ander timmerde het zoveelste bord tegen de stellage. Verboden toegang. Bolus, hierrrrr… gromde Olga. 

Liefde is geven en geluk beleven, dacht Olga. Liefde is gelijkwaardigheid in ongelijkheid. Liefde is een gevoel van eenheid, vrolijkheid en verlangen, dacht Olga… maar weet ik écht wat het is? Dat vroeg ze zich af in een mist van twijfels en vragen (en aanhoudend geblaf van Bolus, die wilde spelen). De mistdruppels drongen vanuit haar korte, agressief blond geverfde haren in een klein stroompje in de kraag van haar jas, naar haar warme, gespierde rug.

In voorchristelijke tijden had die nevel zeer waarschijnlijk ook een duistere, religieuze associatie, met destructieve natuurkrachten enzo. Olga huiverde. Dit was Olganevel. Olgaweer. Ze was in haar element. Opnieuw gooide ze een stok en Bolus nam weer een run. 

Toen Olga voor het eerst moeder was geworden, was ze een veel sterker mens geworden. Haar buik was het onvoorwaardelijk liefhebbende huis geweest voor haar vier kinderen. In haar warme moederhart zouden die een thuisbasis hebben zolang ze leefde. Olga was hun unconditional shelter en ze wist, dat loslaten in vertrouwen juist ook een essentieel onderdeel is van een goede opvoeding.

De liefde leek de stormvloed in haar landschap, keer op keer, zo ver het oog kon reiken. Ze was ervoor gewaarschuwd, ook al had dat helemaal niets uitgemaakt volgens Olga. Hoe gewaarschuwd telt een mens in een wereld van verschil, voortdurende onrust en groei, eb en vloed, leven en dood? Ze schopte een paar keer in het zand. Ze liet een onverwacht geluid diep vanuit haar romp klinken. Bolus sprong verbaasd om haar heen en blafte. 

Vertwijfeld stond Olga stil bij het vers gespijkerde bord ‘verboden toegang’. Bolus keek vragend naar de vrouw. Wat was de bedoeling? Ging ze de stok nog een keer gooien? Hij kwispelde. Zullen we terug lopen, Bolus… zuchtte ze, maar toen ze het bord ‘verboden toegang’ weer zag maakte dat plotseling iets in haar los. In een vlaag van woede (of wat het ook was) trok ze met volle kracht en een rauwe kreet het houten geval los. Het bord belandde met een chagrijnige, vandalistische plof in het zand.

Zo, zei Olga. Kom Bolus, we gaan naar huis. Waarom ze dit deed, wist Olga ook niet precies. Maar het voelde wel goed. Heel goed zelfs.