Litereet – themalezen (1)

De leerlingen van de school waar ik werk lezen voor de Leeskring in hun (voor)examenjaar verschillende boeken met een zelfde thema. Als voorbeeld geef ik hier het thema ‘mishandeling’ (om te oefenen met leesopdrachten). Het is geen ‘leuk’ thema, maar het komt vaker voor dan je zou wensen, in elke klas op school, helaas…

  1. Fragment 1 – Vallen is als vliegen, geschreven door Manon Uphoff
  2. Fragment 2 – Kom hier dat ik u kus, geschreven door Griet op de Beeck
  3. Fragment 3 – Maar buiten is het feest, geschreven door Arthur Japin

Fragment 1, geschreven door Manon Uphoff uit: VALLEN IS ALS VLIEGEN

Informatie (1) bij Fragment 1

Wanneer haar zestien jaar oudere zus, uitgehongerd en uitgedroogd, van de trap valt en sterft, doet dat als een vonk de woede van de schrijfster Manon Uphoff ontbranden. De dood van Henne Vuur (haar oudere zus), ooit haar ‘schaduwmoeder’, dwingt haar een gruwelijk en angstwekkend verleden onder ogen te zien. Henne Vuur is niet de echte naam van haar zus, zo heet het personage in het boek Vallen is als vliegen.

De auteur tekent het verleden op in een boek vol verhalen over vader Holbein, over haar moeder, haar broertje Kaj en haar zussen, Libby en Toddiewoddie. Het zijn verhalen over misbruik van jonge kinderen. De roman is in de werkelijkheid geworteld.

Informatie (2) bij Fragment 1

De schrijfster vergelijkt de vader in het boek met de Minotaurus. Dat is een schepsel uit de Griekse mythologie (zie afbeelding) met de kop en de staart van een stier en het lichaam van een man. De Minotauros werd met mensenvlees gevoed. Hij werd opgesloten in een speciaal voor hem gebouwd doolhof, het Labyrint. Wie er eenmaal binnen was, kon de uitgang niet meer vinden. Het verhaal gaat, dat met enige regelmaat Atheense jongens en meisjes als voedsel het Labyrint werden ingedreven.

Fragment 1 (blz. 24-25):

I Henne Vuur was negenenzestig jaar oud toen ze viel. Geen piepkuiken, en niet bepaald, om met de woorden van mijn vader te spreken (die toe al veertien jaar dood was), ‘in de wieg gesmoord’. Sinds de eeuwwende leidde ze een schaduwbestaan in haar tweekamer nieuwbouwhuisje met cementsluier. Een seniorenwoning aan de rand van Nieuwegein, ooit opgezet als droomplek. Een geweldloos, pijnloos suburbia, met gras zo groen als in Blue Velvet, waar onze moeder halverwege de jaren zeventig (met ons) haar toevlucht had gezocht.

II Toen ik Henne zag na haar onfortuinlijke buiteling leek ze op een vogel, haar neus benig omhoog, haar handen als klauwtjes. Ze droeg een groene jurk.

III Mijn zus, ik haast mezelf dit te zeggen, vertegenwoordigde geen economische waarde en droeg al jaren niet meer bij aan de staatshuishouding. Haar erfenis bestond uit een bankrekening met een paar honderd euro, wat (dans)kleren, porseleinen beeldjes, een handvol meubels, een asbak met peuken van Pall Mall en Belinda. Het huis was in één ochtend leeg. Zelfs de ruimte die ze fysiek innam was tot een minimum teruggebracht.

IV In mijn jeugd was Henne Vuur (zestien jaar mijn senior) een vanzelfsprekend symbool van vrouwelijkheid geweest. Een ekster, met getoupeerd haar versierd met sjaaltjes. Samen met haar zus Toddie (één jaar haar junior) en onze moeder vormde ze een bastion: The Holy Trinity of Smoke. Kwamen wij, de jongste kinderen, uit school, dan zagen we hen in hun paleis van nicotine, terwijl het in de achterkamer krioelde van hun kinderen, onze neefjes en nichtjes. Op schooldagen op het Schimmelplein in Utrecht bleven mijn broertje Kaj en ik ‘over’ bij Henne. Ze maakte lammetjespap voor ons. ‘Wil je een appel, poef, daar gaat-ie’.

V ’s Zomers smeerde ze in haar bikini ons brood. Daarna strekte ze zich uit in en  oranje canvas klapstoel die net paste op het plaatsje da naar schimmel en mos rook, en was het alsof ze uit Napels naar dit klamme land was verbannen.

VI Ik weet vrijwel zeker dat Henne in haar jeugd nooit werd gezien als meer dan er-leuk-uitziend, net als Toddiewoddie. In zekere zin waren ze door mijn op straat gegooide moeder in haar nieuwe huwelijk ingebracht als twee stukjes fruit. Toen mijn ouders eind jaren vijftig met elkaar trouwden, was Henne vijf, Toddiewoddie vier. Mijn vader, HEHH, Henri Elias Hendrikus HOlbein, amateur-beeldend kunstenaar, gesjeesd seminarist, gelovige en (ex-)gevangene, werd hun stiefvader, jaren voor hij ons, de jongsten en nakomertjes, zou verwekken en zich via avondstudies zou opwerken tot wiskundige, wetenschapper, statisticus; tot een gerespecteerd burger en pater familias met een uitstekende baan. Hij was tevens een getroebleerde, diep beschadigde man ik kan en durf dat nu te zeggen) met driftaanvallen, die een ongepaste uitweg zocht voor al zijn emoties en verlangens, pijn en krenking bij zijn (stief)dochters.

Woordverklaringen bij Fragment 1
eeuwwende = eeuwwisseling
suburbia = buitenwijken, voorsteden
bastion = verdedigingsmuur
Holy Trinity of Smoke = Heilige Drie-eenheid van Rook
gesjeesd seminarist = een student die zijn studie aan de universiteit van  geesteswetenschappen niet heeft afgerond, maar die voortijdig is gestopt
pater familias = de oudste man van het gezin, de hoogste in rang krenking = vernedering en kwetsing  
  1. Lees informatie (1) bij Fragment 1. Verklaar de naam van de zus van de hoofdpersoon in Vallen is als vliegen, van Manon Uphoff: Henne Vuur. Waarom zou Manon Uphoff hebben gekozen voor deze bijzondere (achter)naam?
  2. Leg uit hoe het mogelijk is, dat Henne Vuur de ‘schaduwmoeder’ is van de hoofdpersoon uit Vallen is als vliegen.
  3. De roman is in de werkelijkheid geworteld. Wat wil dat zeggen? Leg dit kort uit.
  4. Lees informatie (2) bij Fragment 2. De schrijfster vergelijkt haar vader in de roman met de mythologische Minotaurus. Leg kort uit wat dit volgens jou waarschijnlijk betekent.
  5. Waarmee zal je het Labyrint kunnen vergelijken, aangezien de vaderfiguur met de Minotaurus wordt vergeleken? Leg kort uit wat dit volgens jou waarschijnlijk betekent.
  6. Lees de woordverklaringen bij Fragment 1. Zijn er nog andere woorden die je niet direct begrijpt? Zoek deze op in een (online) woordenboek.
  7. Lees de eerste alinea van Fragment 1. Hierin wordt beschreven hoe Henne Vuur ongelukkig van de trap af is gevallen op negenenzestigjarige leeftijd. Hoe zou je de schrijfstijl van Manon Uphoff in deze regels kunnen beschrijven als je let op: ‘geen piepkuiken’ en ‘niet bepaald … in de wieg gesmoord’?
  8. Lees de tweede en derde alinea van Fragment 1. Was de thuissituatie van Henne Vuur prettig in haar tweekamer woning? Leg uit waarom wel/waarom niet.
  9. Lees vierde en vijfde alinea van Fragment 1. Welke indruk krijg je van de oudere zus van de hoofdpersoon, denk je dat de hoofdpersoon haar als voorbeeld zag? Leg uit waarom wel/waarom niet.
  10. Lees de zesde alinea van Fragment 1. Wat wordt er, denk je, bedoeld met deze zin: “In zekere zin waren ze door mijn op straat gegooide moeder in haar nieuwe huwelijk ingebracht als twee stukjes fruit”?
  11.  Zou je het boek willen lezen? Waarom wel/niet?  Denk na over de titel: Vallen is als vliegen. Denk na over de werkwoorden ‘vallen’ en ‘vliegen’. Wat zijn overeenkomsten tussen deze twee werkwoorden?
  12. Lees de recensie van Vallen is als vliegen, uit de NCRV-gids van 12 april 2019, geschreven door Mieke en beantwoord de vragen. https://www.ncrvgids.nl/recensie-mieke/recensie-mieke-vallen-is-als-vliegen-van-manon-uphoff/

Recensie (1)

De afspraak dat Manon Uphoff  over haar nieuwe boek zou komen praten in Nieuwsweekend, mijn zaterdagochtendprogramma op radio 1, werd afgezegd. En nu ik haar boek gelezen heb, snap ik het wel. Als je er zo lang over hebt gedaan om je incestverleden in de vorm van een roman te gieten, met zorgvuldig gekozen taal, dan kan een live-gesprek daarover te confronterend worden, en te plat. In een kranteninterview zegt ze hierover: ‘Ik moest een nieuwe vocabulaire ontwikkelen…Er waren alleen die beperkte begrippenparen, zoals slachtoffer en dader. Die doen geen recht aan het weefsel, het web om alles heen, de inbedding in de zwijgende samenleving.’

Het lezen van Vallen is als vliegen, ‘een in de werkelijkheid gewortelde roman over het almaar groter wordende, pijnlijke verleden’ (achterflap), is een beklemmende ervaring. Nee, dat is te zwak uitgedrukt, het is een verpletterend boek, waar ik bij vlagen letterlijk misselijk van werd. Dat is niet omdat het misbruik zo letterlijk beschreven wordt, al zitten die passages er ook bij. Het is de algehele sfeer van dreiging en onveiligheid.

Toch is die jeugd die Uphoff beschrijft, met een zusje en twee halfzusjes, niet alleen maar narigheid. De vader is ook een heel inspirerende man die goed kan tekenen, belezen is,  en een universum schept ‘met talrijke uitbarstingen en scheppingen vol geur, kleur en contrast, vol schitterende belletjes van glas’. Een man die zijn dochters inspint in zíjn wereld, over hen heerst, hen ’s nachts bezoekt, in het donker, zonder dat moeder een idee heeft. Manon Uphoff verbeeldt die nachtversie van hem als de Minotaurus, een mythisch wezen met een mannenlichaam en een stierenkop. ‘Ik kan het alleen maar omschrijven als iets ontzagwekkends, iets half menselijks, half goddelijks, half dierlijks. Iets groots. Alleen de Minotaurus lijkt daarop.’

Het slachtofferschap is haar totaal vreemd. ‘Zijn ze niet saai en stomvervelend, de slachtoffers? Met hun gejeremieer, hun bizarre verdrijvingsrituelen en antieke angsten die nooit helemaal verdwijnen? Get a life, zou je naar ze willen roepen. Pak een bezem, een schep, een mes, een schaar.’

Als je het boek uit hebt, begrijp je wel waarom Manon Uphoff hier heel lang op heeft gebroed. ‘ik had dit verleden opgeborgen zodat niemand erbij kon, ik trok er alleen als schrijver af en toe iets uit, een detail of motief voor een verhaal’. Ik geloof niet dat ik zo’n boek eerder las. Ik vond het gruwelijk, ik weet ook niet of ik het moet aanraden. Wel heb ik veel bewondering voor de schrijver, dat ze het onzegbare toch gezegd heeft in een schitterende taal, die af en toe uit zijn voegen barst, dat wel.

Het laatste hoofdstuk waarin de zussen in een heksensabbat wraak nemen op hun dode vader is een verademing. Toch maar lezen.

12a. Vertelt de recensie positief of negatief over het boek? Leg uit waarom.

12b. Voelt de auteur zich wel/niet een slachtoffer van incest? Leg uit waarom.

Fragment 2, geschreven door Griet op de Beeck, uit: KOM HIER DAT IK U KUS

Fragment 2 (Blz. 12-14):

I Mij noemt mama Monaatje als ik lief ben. Ik ben lief als ik help met afwassen of poetsen of de tafel dekken, ik ben lief als ik opruim en als ik mijn handen was voor het eten, ik ben lief als ik stil ben omdat papa wil dat het stil is, of als ik een goeie toets meebreng van school, en nog bij dingen. Maar soms vergeet ik dat ik lief moet zijn, dat gaat per ongeluk. Dan ben ik bijvoorbeeld aan het tekenen en dan schrijf ik per ongeluk met een stift op het tafelkleed. Of dan speel ik met Alexander in de tuin en dan valt hij omdat ik een spel heb gekozen dat te wild is. Of dan zeg ik net dat wat ik blijkbaar niet mocht zeggen. Of dan kom ik van school met een scheur in mijn rokje, en weet ik niet hoe dat gebeurd is, maar mama moet wel weer een nieuw kopen. Alsof het geld haar zomaar op de rug groeit. Ik heb ook al eens snoep uit de kast genomen toen dat niet mocht van mama. Dat is eigenlijk stelen. Ik heb gezegd, toen ik betrapt werd, dat ik niet wist dat het niet mocht, dus dat was ook nog liegen. En ik ben vorige week heel gemeen geweest tegen Sofie van mijn klas. Maar ja, zij verzon regels die echt niet bij het spel hoorden, en daardoor had mijn team verloren en toen heb ik haar een vals varken genoemd. Natuurlijk weet ik dat zoiets niet lief is, maar het floepte er zomaar uit. Ik moet leren nadenken voor ik iets doe, zegt mama, en dat klopt wel. Daar ben ik niet altijd goed in. Sofie moest huilen en heeft het tegen onze juf gezegd, van dat varken, en toen was de juf heel boos op mij. Ik was bang dat ze het zou vertellen tegen mama, maar dat heeft ze niet gedaan. Dat was geluk hebben.

II Ik hou mijn hand op een klein meetlatje van mijn ogen om te kijken of ik die kan zien. Misschien toch een beetje? of is dat alleen omdat ik wéét dat die hand daar is? Ik ben op de grond gaan zitten, want ik kon het krukje niet vinden dat hier ergens moet staan. De vloer is koud en hard, mijn achterste begint al een beetje pijn te doen. Ik blijf hoe dan ook laag bij de grond, want ik weet dat hier spinnenwebben hangen en straks zitten die in mijn haar. Had ik een zakdoek, ik zou mijn neus snuiten, maar die heb ik niet, dus ik zuig het snot gewoon naar binnen. Dat kan ik door lucht langs mijn neus binnen te halen. Mama vindt het heel vies als ik zoiets doe, maar ja, ze kan het nu toch niet horen. ‘Een meisje zonder manieren, dat geraakt nergens,’ dat zegt ze ook vaak.

III Ik probeer niet te luisteren naar de geluiden die ik hoor, een soort raar getik en een zacht gebrom. Ik weet nietwaar dat vandaan komt en dan begin ik te denken dat er een monster zit of zo. Ik weet wel dat die niet echt bestaan, maar soms, hier in dit kamertje, vergeet ik dat toch een beetje. Nu ja, niet echt vergeten, maar dan lijkt het of mijn hoofd even uit staat. Ik ben een bangerik, zegt mama, ik moet harder worden. Ze heeft gelijk, natuurlijk, maar ik weet niet hoe je zoiets doet.

IV Ik zou sterker kunnen zijn, voor iemand van negen, bedoel ik. Alleen het donker, daar kan ik niet goed tegen, en spinnen, die vind ik eng, en muizen ook, en grote honden.

V Ik weet niet hoe lang het nu al duurt, maar ik denk wel een uur, of misschien vier uur, ik weet het niet. Straks ga ik nog dood van mij altijd maar te zitten vervelen.

VI Ik hoor iemand de trap af komen. Gelukkig, daar is ze, ik hoor het aan het getik van haar hakken. Ik moet al een beetje glimlachen, omdat ik zo blij ben dat de straf voorbij is. Zorgen dat die lach weg is als mama mij ziet, anders denkt ze dat ik geen spijt heb. Ik hoor hoe ze haar keel schraapt, zoals ze vaak doet als ze boos is. De deur zwaait open.

VII ‘En?’

Mijn ogen gaan vanzelf dicht omdat mama licht heeft aangestoken in het deel van de kelder waar zij staat.

‘Ik zal het nooit meer doen.’

‘En wat nog?’

‘Sorry mama, ik zal het nooit meer doen.’ Ik sla mijn armen om haar middel.

Ze geeft twee tikjes met haar hand op mijn linkerschouder. ‘Ja ja, het is goed zo. Ga maar naar boven.’

Ik ben zo blij dat mama mij altijd maar weer vergeeft. Dat kunnen alleen mama’s, denk ik, je altijd weer vergeven, wat je ook doet. Als ik bovenkom in het volle licht, moeten mijn ogen nog altijd een beetje wennen.

Papa komt net de keuken binnen. ‘Dag jongens,’ roept hij tegen mij en Alexander. ‘Hoe komen die spinnenwebben in uw haar?’ Ik antwoord niet, dat durf ik niet.

‘Wie niet horen wil, moet voelen,’ zegt mama.

Papa reageert niet. Hij kijkt naar mij: ‘Alles oké?’

‘Tuurlijk,’ zeg ik…

13. Welk vertelperspectief zie je in Fragment 2?

14. Beschrijf kort (een aantal kenmerken van) de personages die je tegenkomt in Fragment 2.

15. Lees het motto van het boek Kom hier dat ik u kus (zie afbeelding hieronder). Wat zegt het motto over Fragment 2, denk je?

16. Lees alinea I. Waarom was Mona bang, dat de juf aan haar moeder zou vertellen over de ruzie met Sofie op school?

17. Lees alinea IV. Waarom denkt Mona, dat ze sterker (niet zo bang) moet zijn? Leg uit.

18. Beschrijf de setting van Fragment 2 (tijd, ruimte, sfeer).

19. Lees de laatste regels (VII). Vind je het terecht, dat Mona ‘sorry’ zegt tegen haar moeder? Waarom wel/niet?

20. Lees de laatste regels (VII). Denk je, dat de vader door heeft, dat Mona in de kelder was opgesloten?

Uit: Kom hier dat ik u kus, van Griet op de Beeck
Hieronder: de eerste bladzijden van dit ontroerende, prachtige boek …

21. Lees de recensie bij Fragment 2: Moeder Marie houdt het gezin strak aan de leiband, geschreven door: Thomas de Veen, in NRC Nieuws 26 september 2014 en beantwoord de vragen.

https://www.nrc.nl/nieuws/2014/09/26/

Recensie (2)

‘Ik moet leren nadenken voor ik iets doe, zegt mama, en dat klopt wel.’ Dat is de toon van de elfjarige Mona in het eerste deel van Kom hier dat ik u kus. Het maakt de tweede roman van de Vlaamse Griet Op de Beeck (1973) een logisch vervolg op haar succesvolle debuut Vele hemels boven de zevende, dat volgens deze krant ook al ‘pseudokinderlijke aforismen’ bevatte. Effectief is het zinnetje wel: een mix van kinderlijke onnozelheid en moederlijke indoctrinatie. Op de Beeck laat scherp zien waar we aan toe zijn: Mona zucht onder het juk van haar strenge moeder, zonder het zelf te merken.

Die effectiviteit is ook een zwakte in de Vlaamse familieroman Kom hier dat ik u kus, want naïviteit wordt ergerlijk, als de bedoeling ervan al duidelijk is. Niet dat er verder geen ontwikkeling in het verhaal zit: Mona’s moeder komt om bij een auto-ongeluk, waarna vader een nieuwe vriendin neemt. Mona en haar broertje moeten Marie meteen mama noemen. Ze houdt het gezin aan haar leiband.

Dat laat zijn sporen na, die in het tweede deel – als Mona vierentwintig is – nog doorwerken. ‘Het is in het beklemtonen dat iets níet erg is’, noteert ze dan, zelfbewust, maar onmachtig om het te veranderen, ‘dat we vaak de heftigheid van de ware emotie verraden, ook al geloven we het schimmige zelfbedrog terwijl we aan het formuleren zijn.’ In het derde deel, als Mona (dan vijfendertig) een relatie in stand houdt die het ook niet helemaal is, formuleert ze dat nog scherper: ‘We saboteren onszelf zonder het te beseffen, omdat we nadoen wat ons ooit is voorgedaan, en dan denken we dat het zo móet gaan.’ Maar dan komt, als haar vader ernstig ziek in het ziekenhuis ligt, alsnog de loutering.

Dit is de roman in een notendop: er staan rake formuleringen in, maar de is erg opzichtig geconstrueerd. Het leven van Mona kent sterke scènes (een kerstdiner, pijnlijk treurige seks), maar je ziet ook erg de structuur door het verhaal heen. Op cruciale momenten blijven de personages in uitgedachte volzinnen spreken.

Dat maakt de roman minder sterk dan hij had kunnen zijn – Op de Beeck heeft zeker talent voor personages. Tekenend is dat de gehate Marie tegen het einde ontroerend intrigerend wordt. Tegen een loslopend hondje zegt ze: ‘Hé jongen, waar is uw baasje, moet gij niet aan een leiband?’ Zo kun je steeds minder volhouden dat zij schuld heeft aan Mona’s levensongeluk – misschien kón ze domweg niet anders. Dat besef slaat ook weer terug op Mona zelf. Zo krijgt Kom hier dat ik u kus toch nog een mooi ambigu, literair einde.

21. a Wat wordt er bedoeld met ‘pseudokinderlijke aforismen’ wordt bedoeld in deze recensie. Gebruik eventueel je (online) woordenboek bij opgave 21 (a t/m d).

21. b Wat betekent de uitdrukking ‘aan de leiband houden’?

21. c Wat beteken ‘loutering’?

21. d Wat wordt er denk je bedoeld met ‘ambigu, literair einde’?

21. e Is deze recensie positief of negatief? Waarom?

Fragment 3: geschreven door Arthur Japin, uit: MAAR BUITEN IS HET FEEST

Fragment 3

Fragmentje van blz. 89 uit: Maar buiten is het feest, van Arthur Japin

Informatie (1) bij Fragment 3

Achterflaptekst: Wanneer een succesvolle en geliefde zangeres een rechtszaak aanspant om een jong meisje uit handen van een verkrachter te houden, dreigen de gebeurtenissen uit haar eigen verleden openbaar te worden.

Informatie (2) bij Fragment 3

Het boek van Arthur Japin kwam uit in 2012; hij schreef Maar buiten is het feest op basis van waargebeurde zaken in het leven van Karin Bloemen. In 2019 is de alom geliefde en beroemde artieste Karin Bloemen zelf meer dan ooit open over haar incestverleden en ze kwam met haar eigen boek: Mijn ware verhaal (2019).

Karin Bloemen gaf diverse interviews in kranten en tijdschriften, zoals De Volkskrant en LINDA. Afbeeldingen hieronder uit: Volkskrant Magazine, 22 juni 2019.

22. Lees Fragment 3. Waarom kiest de auteur hier liever voor de termen ‘onbelast’ en ‘onbezorgd’ dan voor het begrip ‘onschuldig’?

23. Veel boeken bevatten ‘autobiografische elementen’, leg uit wat daarmee wordt bedoeld.

24. Welk van de drie fragmenten spreekt je als lezer het meest aan? Leg uit waarom.

Mogelijke antwoorden op vragen 1 t/m 24: scroll naar beneden.

Fragment uit VALLEN is als VLIEGEN (bladzijdes 23 – 27):

Henne Vuur

Op 13 november van het jaar 2015 viel Henne Vuur van de trap en stierf, enkele uren vóór een groep uitgaande jongeren in de Bataclan te Parijs voorgoed weerhouden werd van verdere onschuldige uitstapjes.
Henne Vuur was mijn zus. Mijn moeders eerstgeborene.
Ze lag onderaan de trap en weigerde de ambulance. Ondanks aandringen van arts en ambulancemedewerkers om zich te laten opnemen in het ziekenhuis, aangezien ze ernstig ondervoed was en uitgedroogd.
Ik had haar in geen jaren bezocht en wist niet eens wat haar adres was. In mijn leven was ze weinig meer dan een terugkerend moment van bespotting op onze jaarlijkse Familiedag van de Doden. Moest je ze nou eens zien: die moeder, altijd en eeuwig met haar volwassen zoon in zijn hakke-hakke-puf-puf-invalidenwagentje. Deed het niet denken aan Psycho? Wat een bizar en ongelooflijk paar!
Henne Vuur was negenenzestig jaar oud toen ze viel. Geen piepkuiken, en niet bepaald, om met de woorden van mijn vader te spreken (die toen al veertien jaar dood was), ‘in de wieg gesmoord’. Sinds de eeuwwende leidde ze een schaduwbestaan in haar tweekamernieuwbouwhuisje met cementsluier. Een seniorenwoning aan de rand van Nieuwegein, ooit opgezet als droomplek. Een geweldloos, pijnloos suburbia, met gras zo groen als in Blue Velvet, waar onze moeder halverwege de jaren zeventig (met ons) haar toevlucht had gezocht.
Toen ik Henne zag na haar onfortuinlijke buiteling leek ze op een vogel, haar neus benig omhoog, haar handen als klauwtjes. Ze droeg een groene jurk.
Mijn zus, ik haast mezelf dit te zeggen, vertegenwoordigde geen economische waarde en droeg al jaren niet meer bij aan de staatshuishouding. Haar erfenis bestond uit een bankrekening met een paar honderd euro, wat (dans)kleren, porseleinen beeldjes, een handvol meubels, en een asbak met peuken van Pall Mall en Belinda. Het huis was in één ochtend leeg. Zelfs de ruimte die ze fysiek innam was tot een minimum teruggebracht.
In mijn jeugd was Henne Vuur (zestien jaar mijn senior) een vanzelfsprekend symbool van vrouwelijkheid geweest. Een ekster, dol op glitter, met getoupeerd haar, versierd met sjaaltjes. Samen met haar zus Toddie (één jaar haar junior) en onze moeder vormde ze een bastion: The Holy Trinity of Smoke. Kwamen wij, de jongste kinderen, uit school, dan zagen we hen in hun paleis van nicotine, terwijl het in de achterkamer krioelde van hun kinderen, onze neefjes en nichtjes. Op schooldagen op het Schimmelplein in Utrecht bleven mijn broertje Kaj en ik ‘over’ bij Henne. Ze maakte lammetjespap voor ons. ‘Wil je een appel, poef, daar gaat-ie.’
’s Zomers smeerde ze in haar bikini ons brood. Daarna strekte ze zich uit in een oranje canvas klapstoel die net paste op het plaatsje dat naar schimmel en mos rook, en was het alsof ze uit Napels naar dit klamme land was verbannen.
Ik weet vrijwel zeker dat Henne in haar jeugd nooit werd gezien als meer dan er-leuk-uitziend, net als Toddiewoddie. In zekere zin waren ze door mijn op straat gegooide moeder in haar nieuwe huwelijk ingebracht als twee stukjes fruit. Toen mijn ouders eind jaren vijftig met elkaar trouwden, was Henne vijf, Toddiewoddie vier. Mijn vader, HEHH, Henri Elias Henrikus Holbein, amateur-beeldend kunstenaar, gesjeesd seminarist, gelovige en (ex-)gevangene, werd hun stiefvader, jaren voor hij ons, de jongsten en nakomertjes, zou verwekken en zich via avondstudies zou opwerken tot wiskundige, wetenschapper, statisticus; tot een gerespecteerd burger en pater familias met een uitstekende baan.
Hij was tevens een getroebleerde, diep beschadigde man (ik kan en durf dat nu te zeggen) met driftaanvallen, die een ongepaste uitweg zocht voor al zijn emoties en verlangens, pijn en krenking bij zijn (stief)dochters.

Mijn vader groeide op in de crisisjaren, tijdens de grote depressie na de Eerste Wereldoorlog, in een familie die niet onwelwillend stond tegenover fascistische sympathieën en ideologieën. Hoewel er nooit een duidelijke keuze werd gemaakt, moet een imprint welke levens ertoe doen zijn achtergebleven in zijn denken. Hij was erg specifiek over vrouwen. Zij vertegenwoordigden lichamen, schoonheid en de veiligheid die hij zocht. HEHH miste een warme moeder, en was toegewijd aan Maria op een manier die ons tot wanhoop dreef. Zijn ogen glommen van sentiment als hij sprak over het mirakel: hoe ze zonder erfzonde ter wereld was gekomen, geboorte gaf aan Jezus enmaagd was gebleven.
Wij, de kinderen in het huishouden, waren van hem. Hij kleedde ons, voedde ons, verdiende zijn geld voor ons, negeerde ons. Toen hij een hoge leeftijd had bereikt, werd hij door Henne vriendelijk verzorgd. Alles in overweging nemend stierf HEHH tamelijk vredig. Helemaal niet zoals Henne Vuur. Op het moment van zijn dood was zij even oud als ik nu. Gescheiden, maar haar zoon nog niet invalide. Mager, maar nog niet griezelig uitgemergeld. Een mooie vrouw, die haar haar verfde in het zwartste zwart. Bij gelegenheid was ze haar stem kwijt. Er waren weken dat ze amper geluid voortbracht, maar niemand miste haar stem, al waren we ook beroofd van haar lach, die ik me nu wel herinner. Voorovergebogen, haar handen op haar knieën, bracht ze een diep geluid voort. Hoe dan ook, ze was zorgzaam voor HEHH in zijn laatste jaren en was daar trots op. Ik neem aan dat ze hem waardigheid gunde.
Henne zou het niet op prijs stellen dat ik haar noem en dit schrijf.
‘Ik ben voor niemand bang,’ zei ze en sloot zichzelf op in haar woning. En, trots: ‘Ik heb altijd alles helemaal alleen gedaan.’

© Manon Uphoff 2019

t h e m a l e z e n

Meer literatuur over misbruik en/of mishandeling van jongeren/kinderen:

Inge Schilperoord, Muidhond – Ted van Lieshoud, Mijn meneer – Jeroen Brouwers, Het hout – Lize Spit, Het smelt – Dimitri Verhulst, De helaasheid der dingen – Dimitri Verhulst, Kaddisj voor een kut – Rudi van Danzig, Voor een verloren soldaat – Rascha Peper, Rico’s vleugels