K – Karma

Er was eens een Toverboek

Toverboek,

dat zich opent op de wind

om te worden gelezen

met gesloten ogen,

waar vlinders van opfladderen,

verward

dezelfde ideeën te hebben gehad.

[Rilke]

Soms blijkt een bloem ineens een vlinder, die gedesoriënteerd haar weg zoekt. Soms blijkt dezelfde vlinder plots een meedogenloze, vleesetende plant. Zo kan een gewoon kind ook onverwacht verschrikkelijk gemeen zijn, zoals Keet. Haar Toverboek is een wildbloeiende collage. De zon speelt er vrij spel.

Keet was tien, toen ze haar vier jaar jongere zusje Daisy lelijk bedreigde. Daisy was een prachtig meisje. Keet gebruikte een botte, koperen briefopener, waarmee je nog geen boterham zou kunnen snijden, maar toch. Ze had het ding gevonden in een bureaulade van haar ouders. De briefopener zag er in de ogen van de kleine verschrikte Daisy wel uit als een dodelijke dolk.

Jij bent heus niet mijn echte zusje, zei Keet grimmig tegen haar zusje, terwijl ze de briefopener in haar vuist geklemd hield, voor het gezicht van Daisy. Papa en mama hebben jou maar gevonden, in het Slingerbos.

Daisy wist niet zeker, of ze het huilen zonder tranen, met harde decibellen wilde doorzetten, maar ze was duidelijk wel even van haar stuk gebracht. Hoewel Keet vervolgens nonchalant mompelde, dat het maar een ‘grapje’ was, had Daisy desondanks nog jarenlang haar twijfels over deze kwestie.

Hun ouders waren woedend, toen ze erachter kwamen.

Weet je wat Keet zei? Ze zei dat jullie niet mijn echte ouders zijn. Hebben jullie mij in het Slingerbos gevonden? Keet zegt dat.

Wat zegt Keet?!

Keet had toch beter moeten weten. Keet wist dondersgoed wat ze deed, ze was al een grote meid, toch? Wat vind je daar eigenlijk zelf van, Keet? Ga er maar eens goed over nadenken, op je kamer.

Opsodemieteren.

De briefopener werd veilig opgeborgen en haar speelruimte was voor het eerst bewust begrensd, door vader, moeder, Daisy en in de eerste plaats door Keet zelf. Dat besefte ze terdege.

Op een mooie lentedag was Daisy als een levende pop binnengekomen in het leven van de vierjarige Keet, op de arm van haar vader. Deze prachtige pop leek op Keets’ eigen babypop. Ze had lachende, stralend blauwe ogen met prachtige, volle wimpers; grote ronde ogen, die later van kleur veranderden, van blauw in bruin – een mirakel. De pop rook heerlijk, als een echte baby.

Dit is je zusje. Keet was verrukt. Ohh…wat mooi…

Ties en Wanda waren dolgelukkig met hun jongste kind. Keet en Daan vonden het vooral een enorme verrassing en ze wilden meteen met haar spelen, maar dat mocht natuurlijk niet.

Keet heeft hen nooit verteld, hoe ze Daisy op de bovenste plank van de boekenkast had gelegd. Ga maar slapen, pop, had ze vrolijk geschaterd. Haar zusje had het op een krijsen gezet.  Keet en Daan hadden de dreumes nog net op tijd uit de hoge kast weten te sjorren.

Vanaf het begin waren hun ouders een ongelooflijk hechte eenheid, onafscheidelijk als Adam en Eva, Tristan en Isolde, Koot en Bie. Eind jaren zestig waren haar ouders getrouwd. Keet vond het heerlijk om alle fotoboeken te bekijken, met alle verhaaltjes van vroeger. Ze kon er geen genoeg van krijgen.

Romeo en Julia, Tarzan en Jane, Tom Poes en Olivier. Zo waren Ties en Wanda. Hun drie kinderen, twee meisjes en een jongen Keet, Daan en Daisy kregen een veelbelovende, goede start.

Keet droeg een gestreken jurkje met een aardbeienpatroontje en Daan had een hagelwit overhemdje aan met een kniebroek en witte kniekousjes. Daisy’s roze ruitjesjurkje rook naar Robijn wasverzachter. Ze speelden in de zon, in de achtertuin. Ze spraken met de Vlaamse reuzen in het frisse gras. Hoog in de zomerblauwe lucht klonk het geronk van een vliegtuig. Dat geluid vond Keet fijn. Ze besefte de tijdelijkheid van deze hemelse momenten vaag.

***

Alles gebeurde daarna, intens en onverwacht, zoals je mag verwachten van mensenlevens. Orpheus en Eurydice, Otello en Desdemona, Bassie en Adriaan, Napoleon en Josephine en er gebeurde nog veel meer. Pyramus en Thisbe, Hazel en Augustus. Verhaaltjes, kronieken, complete films werden geleefd.

Keet, Daan en Daisy waren veertigers, toen Wanda na dertig jaren van alcoholisme – een vlucht uit een ondraaglijke werkelijkheid, wie zal het zeggen – ongeneeslijk ziek werd. Uiteindelijk overleed ze, op vierenzestigjarige leeftijd. Ties overleefde. Daan – en vooral Daisy – ontfermden zich over Ties, die door dezelfde levenswijze inmiddels kampte met onomkeerbare processen in zijn zeventigjarige lijf, zoals ascites en levercirrose.

Keet ging af en toe eens op bezoek bij haar vader. Er bleven herinneringen aan aardbeien, Robijn en witte was in de zon. Vieux en Jenever, Whisky en Sherry, Bier en Wijn, Asterix en Obelix. Sluiers van rook en roes.

Ties en Wanda. Forever.

Keet droeg haar stevige boekentas met docentenagenda, Daan had zijn veiligheidsschoenen en werkbroek met reflectiestrepen aan, Daisy droeg een joggingpak van de kledingbank en rookte een sigaret. Hun speelruimte was onherkenbaar veranderd.

***

Na de dood van Wanda was de relatie tussen Keet en haar eigen vader bekoeld, om allerlei redenen. Toen Keet bijvoorbeeld verlangde naar een aandenken aan haar overleden moeder, werd haar dat niet gegund door Ties. Haar nichtje en haar zusje Daisy kregen echter wel allebei een ring van Wanda. Dit gebeurde vrij rap na haar overlijden.

Waarom, dacht Keet.

Keet kreeg geen aandenken. Daan kreeg te horen, dat hij het huis zou erven en Daisy werd financieel beheerder. Daarvoor moesten ze alle drie een handtekening zetten bij de notaris.

Hoezo? Je gaat toch gewoon akkoord?

Later kocht Ties een woonboot voor Daisy en haar gezin. Daisy kreeg een auto en leefde met haar gezin van het geld van hun vader. Keet werd overal buiten gehouden. Ze vonden haar maar een vervelende bemoeial, die al te vaak verkeerde keuzes had gemaakt. Keet voelde zich buiten de familie gezet.

Ties liet Keet nog wel eventjes kijken in de derde ring, naar de datum, maar die kende ze al. Het was een zomerdag in 1947, de trouwdatum van haar opa en oma.

Moet jij ook nog iets uitzoeken, had Ties gevraagd.

Nee hoor, ’t is goed zo, had Keet gemompeld.  

Daarna schoof Ties de ring aan zijn eigen hand en dat voelde, alsof hij zijn middelvinger naar Keet opstak en misschien bedoelde Ties dat ook wel zo.

Keet was voorgoed hard buitenspel gezet. Ze hervond maar heel langzaam haar mentale evenwicht. Sinds Wanda er niet meer was zou het nooit meer zo worden als vroeger.

Keet dacht vaak aan Ties en vooral aan Wanda. Ze werd er gek van. Ze hoorde stemmen en ze zag op klaarlichte dag Karel en Elegast, op de open plek in het Slingerbos, waar ze hun paarden lieten drinken. Napoleon en Josephine verstopten zich in de bosjes, Keet hoorde hun onderdrukt gegiechel en ze voelde zich uitgelachen. Ze rook een zweem van jenever en vieux, met een schepje suiker.

Wanda, ben jij daar? Mama?

***

Keets’ crisis viel samen met haar menopauze. Ze was er best vroeg bij, nog ver voor de vijftig was haar vruchtbare periode tot een einde gekomen. Door de catharsis, de aftocht van haar hormoonterreur, was ze in staat opnieuw haar speelruimte te begrenzen.

Ik ben niet mijn vader.

Ik ben niet mijn moeder.

Rilke sprak in haar hoofd. Of Ties? Of Wanda?

Misschien zijn alle draken in onze levens eigenlijk prinsessen die alleen maar zitten te wachten op het moment waarop we eindelijk, mooi en moedig, in actie schieten. Misschien is datgene waar we bang voor zijn in zijn blootste essentie iets hulpeloos wat onze liefde zoekt.

***

Keet liep door het Slingerbos van haar verleden. Ze liep te zwalken, want de briefopener had ze even daarvoor ferm in haar linkerborst geplant. Ze was flink wat bloed verloren, maar dat was oké, het voelde als een verlichting en haar hart klopte nog.

Een roeiboot gleed intussen geruisloos door de gracht, richting de oude poort. Daan en Daisy zaten erin en ze zwaaiden naar hun grote zus die door het Slingerbos wankelde. Ties zat er ook in, maar hij moest al zijn kracht gebruiken om rechtop te kunnen blijven zitten. Hij glimlachte naar Keet, terwijl hij zich trillend aan de randen van het bootje vasthield.

Papa.

In een reflex greep Keet haar vermeende dolk, die al die tijd in haar linkerborst was blijven steken, met een bruuske beweging terug uit de wond en wierp hem met een sierlijke boog in de gracht.

Zo. Weg ermee. Daisy schaterlachte en Daan knikte goedkeurend. Ties keek verrast. Tevreden constateerde ze een plons. Er was geen spoor van oud zeer. Ook het bloeden was vanzelf gestopt, stil en pijnloos. Ze zwaaide vrolijk terug naar haar mensen in het roeibootje. Dag!

Keet wandelde in haar eentje verder, het was oké. Vol vertrouwen stekkerde ze door. Naar huis. Waar dan ook.

Zo eindigde dit hoofdstuk van Keet, in haar Toverboek, waarin ze haar oude foto’s, films en romans koestert. Het opent zich soms weer even, op de wind, je hoort het papier ritselen als verward gefladder.

Zo nu en dan herleest ze het, met gesloten ogen.