W – Westerlicht



W – Westerlicht

Er was eens een vuurtoren, het Westerlicht op het Zeeuwse Schouwen-Duiveland.

Dit is het zeekre weten, declameerde ik plechtig het gedicht van Henriëtte Roland Holst – van der Schalk, uit Verzonken Grenzen (1918)… naar volmaakte Liefde stijgt alles mee. Het was stil in de kerk, maar niet onaangenaam stil. Beter gezegd: het was vredig in de kerk. Sommige mensen huilden om Roel van de vuurtoren. Roel van het Westerlicht.

Ties en Wanda hielden elkaars hand vast. Zo zijn mijn ouders altijd geweest, tot aan mijn moeders dood. Heel erg één. Kleinkinderen zetten waxinelichtjes op de kist van Opa Roel. Een aantal kleinkinderen heeft mooie tekeningen gemaakt voor Opa. Ik zie een paar vervaarlijk kleurige koppoters van een grappig neefje en ik zie de bloemetjes, zonnetjes, wolkjes, engeltjes, vlinders, sterretjes en regenbogen – de hemel naar ontwerp van Kaïsa en Julia.

Opa Roel hield van poëzie. Zijn lievelingsvers was dit gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk. Zij is bij geen enkele stroming van haar tijd in te delen. Zij was een eigenzinnige individualist,  die nauwelijks nog voorkomt in de schoolboeken. En toch heeft ze onvergetelijke verzen geschreven. Verzen, die Opa erg mooi vond en waarvan de diepere betekenis hem aansprak. Waardoor zou Opa zijn geraakt in dit gedicht?

Alleen de liefde – en niet het verworven aardse bezit – is volgens de dichteres de basis voor de opgang van de ziel naar het geluk. Hoe vaag deze woorden ook mogen klinken in de oren van de mens, die de strijd om het bestaan vooral materieel ziet, ze zullen troost schenken aan degene die het essentiële in het leven ziet in een geestelijke opgang.

De zachte krachten zullen zeker winnen, zegt de dichteres. Zij spreekt van winnen en dat impliceert strijd. Het winnen komt pas in het eind. Opa zal hier zeker om kunnen glimlachen, immers  alleen een eindoverwinning heeft geldigheid. Liefde geeft zin aan ons leven, waarvan de kern een voortdurende strijd en zoekende onrust vormt.  Die levenszee kun je horen ruisen  in ons mensen, we zijn als kleine schelpen. En door alles heen voel je de sterke onderstroom: noem het God, noem het Liefde, noem het de zachte krachten… 

Op een heel oud geluidsfragmentje, op de bandrecorder van mijn vader – Ties –   is Opa Roel te horen, die tegen mijn toen nog kleine neefje Roberto Dreijfhout  zegt: “zâ je zwiege”… we moeten hier altijd erg om lachen. Opa Roel  was een lieve opa, die erg betrokken was bij zijn kleinkinderen. Zo vertelde Alicia me, dat ze kortgeleden nog een wandelingetje maakte met Opa en dat hij tot het allerlaatste toe grapjes maakte. Typische Opa Roel – grapjes. Iedereen hier weet wat hiermee wordt bedoeld.

Er is de afgelopen tijd veel gehuild door de familie, maar ik heb ook moeten lachen, om verhalen van mijn tante Jo en mijn tante Cato, die leuke en ontroerende dingen vertelden, die ze onlangs nog hadden meegemaakt met Opa. En zo zag ik Fien, druk bezig met de bloemstukken voor Opa. En zo zag ik Onno en Josefine, die het simpelweg een eer vonden de allerlaatste menselijke zorg voor Opa op zich te nemen. Ik noem hier ook een heleboel dingen niet en dat kan ook niet –  jullie hebben zélf talloze herinneringen aan dingen die zeker de moeite waard zijn om hier te noemen… Het komt allemaal hier op neer, dat Opa betrokken was bij ál zijn kinderen en kleinkinderen én andersom: al zijn kinderen en kleinkinderen hielden ook allemaal van hem. Ieder op z’n eigen, unieke wijze.

Mijn eigen unieke wijze was dat ik toch altijd vooral behoorlijke afstand hield van Opa Roel en Oma Bernice, maar dat verzweeg ik voor het gemak. Dit was niet het juiste moment voor kritiek. De toespraak ging soepel, een goede performance, vond ik zelf en van de doden niets dan goeds.

Zâ je zwiege… zegt Opa voor de grap op dat oude geluidsfragmentje tegen neef Roberto …In het vers van Henriëtte Roland Holst wordt er ook gesproken over aandachtig luis’tren met het hart en dat is wat Opa ons meegeeft. Iets heel belangrijks, vind ik. Aandachtig luis’tren met het hart. De Benedictijnen noemen het auscultatio, maar we zijn hier niet echt Katholiek, dus ook dat verhaal slikte ik meteen maar weer in.

Zoals we in 1 Korintiërs 13 kunnen lezen is de liefde geduldig; de liefde is vriendelijk; de liefde is niet jaloers. Zij doet niet gewichtig en is niet trots; zij kwetst niet, is niet egoïstisch en voelt zich nooit beledigd; zij neemt niemand iets kwalijk; zij is niet blij met onrecht, maar juist met de waarheid. De liefde beschermt altijd, heeft altijd vertrouwen, verwacht het altijd van God en houdt stand. Kortom, er zijn drie dingen die blijven: Geloof, hoop en liefde. Maar de liefde is het voornaamste. De zachte krachten zullen zeker winnen.

Ik vond, dat ik Opa Roel een mooie, waardige afscheidsgroet had gegeven. Ik brand af en toe een kaarsje voor mijn gestorven voorouders, voor hun zielenrust. Opa Guillaume heeft me jarenlang in mijn dromen bezocht. Hij is, denk ik, een van mijn beschermengelen. Ik was twaalf jaar toen hij stierf. Ik was zesendertig jaar toen Opa Roel overleed.

Rechtsboven op de rouwkaart van opa Roel stond een fragment uit een gedicht van Gerrit Achterberg. Erg verdrietig, maar dankbaar voor al het goede dat hij ons gegeven heeft, hebben we afscheid moeten nemen van onze lieve, zorgzame vader, grootvader en overgrootvader Roeland Dreijfhout, gehuwd geweest met Bernice Maria Bevelander, die enkele jaren geleden was gestorven. Hoofd der Zeeuwse Kustwacht.

Mijn opa en oma lieten mij een enorme erfenis na: de monumentale vuurtoren van Haamstede. De toren stond links afgebeeld op de kaart. Ik mocht hem hebben. Waarom eigenlijk?

Opa was geboren in maart 1918 en gestorven in augustus, mijn zesendertigste lente. We zongen Gezang 282:1 en 2. Blijf bij mij, Heer, want d’avond is nabij… alles verzinkt, waar ik mij henen keer. Bij het uitdragen van de kist luisterden wij naar Wir setzen Uns mit tränen neder, van J.S. Bach.

Opa had de zorg voor het monument aan mij over gelaten. Al die scherpe blikken vergeet ik nooit meer. Ook Ties was verbijsterd geweest. Mijn tante was in een hysterische lach geschoten. Douwes’ stilzwijgen was oorverdovend geweest. De stamhouder en ieders lieveling, hij kon er zo gauw de woorden niet voor vinden. Josefine had geschitterd door haar afwezigheid. Naast mij hoorde ik Max zachtjes grinniken, samen met mijn moeder. Wanda vond het wel een geslaagde grap, dat was duidelijk.

Roel Dreijfhout was drager van de eremedaille in zilver, verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau. Hij was voormalig hoofd van de kustwacht in de gemeente Burg-Haamstede. Belangrijke functies worden wel vaker genoemd in rouwadvertenties. Hij was arts, of hij was rechter. Je weet wel.  Hij was lid van de Lions Club, dat soort dingen werden genoemd. Zou iemand later ooit op het idee komen in mijn overlijdensadvertentie te vermelden, dat ik werkzaam was als doktersassistente?

Ik heb een havo-diploma en dat is mijn enige zuurverdiende diploma. Ik heb er keihard voor moeten werken en studeren, maar ik denk niet dat iemand dat de moeite van het vermelden waard zou vinden. Ik studeer in de avonduren. Ik volg een lerarenopleiding wiskunde, want dat is het enige vak waar ik redelijk goed in ben. Bovendien heb ik geen medailles, ook niet van de avondvierdaagse. Ik heb zelfs geen zwemdiploma.

Zou iemand ooit op het idee komen te vermelden in een rouwadvertentie, dat iemand kraanmachinist was, of receptioniste, of salarisadministratrice? Zou het lastig zijn, een  rouwadvertentie te bedenken voor een analfabeet zonder diploma’s? Het leven was een feest, maar als je dit leest, dan ben je er mooi geweest.

Stel je voor, dat er in de hemel een reusachtige bibliotheek vol mooie boeken is… en dat je oneindig veel tijd krijgt die allemaal te lezen. Een mens verzint soms de gekste dingen. De doden hebben helemaal niets meer aan hun diploma’s en hun medailles.

Mijn nichtje declameerde een schattig, zelfgeproduceerd gedichtje tijdens de herdenkingsdienst: Als ik aan opa denk, dan denk ik aan vroeger, aan de vuurtoren en het huis met de grote tuin, aan wandelen met opa en oma over paden, strand en duin. De hond rende voor ons uit en ik rende erachter aan… en waar je ook liep zag je de vuurtoren staan. Mijn nichtje had verdriet. Ik voelde me ongemakkelijk. We bestaan uit deels hetzelfde DNA, maar we hebben totaal andere herinneringen aan Roeland Dreijfhout. Ik kan me nauwelijks wandelingen herinneren, wellicht heb ik die verdrongen. Het zweet brak me uit.

Er waren geen lekkere begrafenissongs van Andrea Bocelli en Sarah Brightman, It’s time to say goodbye – uit de top tien van uitvaartsmuziek. Geen steen, geen vlieger en no tears in heaven… Opa hield van psalmen en gezangen. Hij hield van poëzie van Henriëtte Roland Holst –  van de zachte krachten, die winnen aan het einde. Dat heb ik ooit gelezen, in een dichtbundeltje uit de boekenkast van Ties en Wanda.

Mijn handen beefden en het besef drong tot me door, dat ik de verantwoordelijkheid voor een vuurtoren had geërfd. De notaris had mij het document overhandigd. Het huis van het hoofd der kustwacht met de vele hectaren grond was voor Ties, zijn broer en zijn zusters. Ik had als enige van alle kleinkinderen de plicht toegewezen gekregen tot onderhoud van de monumentale vuurtoren, die  Roeland Dreijfhout destijds voor het symbolische bedrag van een gulden van Rijkswaterstaat had overgenomen.

Ik trilde en moest mijn ademhaling onder controle houden, om niet te gaan hyperventileren. Ik dacht aan het papieren groentezakje in mijn tas, maar dat durfde ik niet te pakken. Ik vond, dat ik voor gek zou staan, als ik te midden van mijn familie en dierbaren – en de notaris – in een papieren groentezakje zou gaan blazen. Adem – in – door – de – neus – en – uit – door – de – mond – twee – drie – vier. Mama, waarom doe je zo gek, fluisterde Kaïsa met vrolijke oogjes. Ze verveelde zich en ze verwonderde zich over de plechtige, gespannen sfeer. Stil, mama is hyper, siste Julia. Haar handje zocht mijn wang. Mam, ben je hyperdepieper, drong Kaïsa aan. Wat issernou, mahaam?

In paniek stond ik op, nam twee verschrikte meiden aan de hand en ik zei, plompverloren, tegen niemand in het bijzonder, dat we nu echt naar huis moesten. Max volgde me direct, mompelde excuses en had een bezorgde blik. Ik vergat de jassen, maar Max kent me langer dan vandaag. Als we gaan, dan gaan we. Op is op, weg is weg. Niet lang daarna stond ons gezinnetje opgelucht in de stralende augustuszon, lekker in de buitenlucht. Pauline, gaat het wel? Wat was dat nou, begon Max. Kaïsa en Julia huppelden naar de parkeerplaats. We gaan, zei ik. En we gingen.

Toen we thuis waren zei Julia meteen, dat ze zich wilde verkleden, omdat haar kleren vreselijk stonken naar sigarettenrook. Ik stink naar Ties en Wanda, lachte ze vrolijk. Julia rende de trap op, naar haar slaapkamer. Ik was eigenaar van een toren met 249 treden. Ik zuchtte. Ik kon het niet helemaal bevatten. Hoe moet je zo’n toren onderhouden? Ik had er geen idee van. Ik had het gevoel, dat die toren ons geld zou gaan kosten in plaats van opleveren. Ik ervoer deze nalatenschap als een zware, zware last.

Kaïsa lachte met haar typische, hese stemmetje. Nu kun je mij en Juul opsluiten in je toren als we vervelend zijn, mam. Dat is best cool. Max knipoogde naar haar, omhelsde haar stevig en riep: stinkie-stankie! Ga jij ook maar snel andere kleren aantrekken! Kaïsa vlijde haar hoofd tegen mijn rug. Ik bleef gebogen zitten. Wat moeten wij in hemelsnaam met die vuurtoren?

Max zette een grote kop koffie voor me neer. Schat, we zijn weer thuis, we zien wel. Kaïsa gaf me een kus en stampte luid zingend de trap op. Ik hoop, dat het sterke koffie is, bromde ik. Anders verkoop ik dat ding wel voor je,lachte Max.

Alle telefoongesprekken die avond werden kordaat afgehandeld door Max en toen we eindelijk in bed lagen zei Max peinzend: lieverd, als je wilt, heb ik die vuurtoren in no time van de hand gedaan, voor een prima prijs. Je kunt de kopers trouwens uitkiezen als je wilt. Je zus staat vooraan in de rij, by the way. Verbaasd draaide ik me op mijn rug. Josefine? Wil zij hem graag hebben? Max streelde mijn rug. Ze willen het als ludiek trefpunt gaan gebruiken voor hun zaak. Ik barstte gesmoord in lachen uit, wat overging in geluidloos huilen. Max trok me naar zich toe. Ze mag hem hebben, zuchtte ik. Het voelde als een opluchting. Max begreep het niet helemaal.

Bedankt voor vandaag, fluisterde ik. Wat een dag… Max wilde me kussen, maar het licht ging aan op de gang en we hoorden zachtjes de voetjes van Julia trippelen richting wc. Julia? Ik ga haar even helpen, Max. Vermoeid stond ik op om een kind terug naar bed te brengen.

Zet mij ook maar op Marktplaats punt nl, schat, mompelde ik en viel in een diepe slaap. Opa Roel bezocht mij in een droom. Hij zei dreigend, met diepe basstem: zahjuh zwiehe! – in Zeeuws dialect betekent dat: zul je stil zijn! of: zul je zwijgen! Het had niets te betekenen, maar ik werd badend in het zweet wakker. Wat probeer je nu te zeggen, Opa? Misschien begrijp ik je verkeerd.

Opa en Oma vonden, dat mijn ouders veel dol hadden met me, een Zeeuwse uitdrukking, die erop wees dat ik een behoorlijk ongehoorzaam en vervelend kind was. Ze lieten dat duidelijk blijken aan Ties en Wanda. Het verschil tussen vergeven en vergeten is een verhaal.

Essentiële dingen gebeuren soms wanneer je ze het minst verwacht, ook al weet je dat het natuurlijk en onvermijdelijk is, als een plotselinge wee. Ik zocht in mijn tas, maar ik weet niet meer naar wat. Ik keek naar de foto’s van mijn allerliefste mensen. Ik keek naar nog meer foto’s, in mijn hart. Mijn allerliefste zielen. Men zegt, dat je je familie niet kiest, maar in wezen zijn alle mensen op onze planeet familie van elkaar, van ver of van dichtbij. Zo zie ik het.

We maakten de volgende avond samen een strandwandeling, zoals we dat wel vaker doen. We hadden het beloofd aan Kaïsa en Julia. We liepen over het strand van Westerschouwen, met de vuurtoren in het zicht. Blonde haren in de wind. Rennen langs de waterkant. Lol maken. Balanceren op de strandpalen. Pootjebaden in de golven. Gillen. Duwen. Lachen. Wandelen. Gelukkig. Zijn.

Een onverklaarbare oersnik perste al het lucht uit mijn lijf.  Ik liet het even toe. We hadden een zware periode achter de rug. Max rende ver voor me uit, met de kinderen om het hardst naar de strandtent, waar we met z’n allen een lekker ijsje zouden gaan eten. De zon was al begonnen aan een duik in zee.

Excuse me. Een oudere dame sprak me aan op het strand. Ze zag er vriendelijk uit. Ze leek op een engel. Ze wilde iets vragen. 

How do I get to the Lighthouse?

Terwijl ik zo goed mogelijk uitleg gaf zag ik, dat de vrouw me onderzoekend aankeek. Ze vroeg, of ik familie was van Roel Dreijfhout. Yes, he was my grandfather. He recently deceased, his funeral was yesterday afternoon. Ze reageerde enigszins geëmotioneerd. Was he the Roel who ruled the lighthouse?

Ja, dat was mijn Opa. Ik voelde een merkwaardig soort trots en de rest deed er niet meer toe, vond ik. We zijn allemaal familie. Hoe dan ook. Ik voelde, dat het goed was zo. De onbekende, mysterieuze dame wapperde met haar vleugels – hè, heeft u vleugels? – en ze was even plotseling verdwenen als verschenen toen ik glimlachte,

Yes, he was the Roel who ruled the lighthouse.